U bevindt zich thans op een lange weg. Uw ogen tasten in het duister. Verder weet u niets van wat er komen zal. Zelfs ik, Corné Huysema, die me ook eens toeschouwer mocht noemen, kan u niets bieden dan mijn waarheid, tenminste zoals mijn geest het verlangen mocht beleven. En zelfs dan moet ik u vertellen dat er niets zo gevaarlijk is dan verlangen, want is verlangen niet louter lust, lust naar aandacht, liefde of genot. Ook ik dacht er ooit anders over, toch nu weet ik beter. Liefde is een illusie en alleen pijn is realistisch. Welkom, bij het ultieme spel.
Mijn verhaal begint in het noorden van het land, bij het standbeeld van de heilige Johanna. Alwaar de jeugdelijkheid 's avonds rijkelijk vloeide. Men danste op de muziek van voorbijtrekkende straatmuzikanten, nuttigden alles wat zij aangeboden kregen om, als het ware, het leven vanuit een roes te ontdekken. Men bralde en tierden, hinkte en lachte met elkaar. En, langs het water dat zich rond de heilige Johanna bevond, zat ik.
"Hé, kom op, Corné", riep Sebastiaan, maar ik kon het niet. Ik wilde wel, maar deze wereld in al haar vervoering, ik begreep er niets van. En naarmate mijn fles rode wijn opging en ik meer en meer dronken werd, kon ik mijn ogen amper open houden. Nog even zag ik blote lichamen. Sommige blouses waren opengerukt, waarbij het mannelijke geslacht geil uit de ogen keek en zich maar al te graag vergreep aan de volle borsten. Sommige brulden van het lachen op de mistige grond. En rechts van mij zag ik een penis op en neer gaan in de vulva van een aantrekkelijke, stevige madam. Ik kon mijn ogen niet van deze schitterende penetratie afhouden. En waar was Sebastiaan eigenlijk? Dit moest hij meemaken.
Langzaam liet ik me vallen op het gesteente. Mijn lichaam werd zwak en mijn handen lieten de fles kapot vallen.
Mijn ogen sloten zich en daar ging ik in een onbewuste droom.
Niet veel later, dacht ik, toch bleken er enkele uren te zijn verstreken, hoorde ik en gillende menigte, paarden, geschreeuw. Uiteindelijk toen ik mijn ogen beter open deed zag ik agenten te paard de mensen opjagen, vluchtende mannen en vrouwen. Ik zag een vrouw rennen met het kind nog aan de borst.
"Hé, scheer je weg, zonderling", een agent stond dreigend voor me. Zijn paard steigerde. Ik probeerde hem af te weren. Niet dat het hielp, natuurlijk. Dus kwam tot de conclusie om op te staan en me strompelend voort te zetten, richting park, alwaar ik mijn roes verder kon uitslapen.
De volgende dag werd ik wakker met een nogal stijve kop. Naast mij zat een jongeman. Macah, zoals hij zich aan mij iets later had voorgesteld. Hij had een nogal vreemde glimlach, die zowel in de taal van de gelukzaligheid noch de melancholie nuanceerde. En wanneer hij praatte kwam er zo'n obscuur gehinnik achteraan. Ik wist niet of ik hem wel of niet mocht. Hij vertelde me dat hij een christen was en hoe verder hij van God verwijderd was, des te sterker zijn geloof. Ik zei nog dat het misschien kwam doordat hij dieper in zichzelf ging kijken en zekerheid kreeg. Misschien zelfs van God los. Hij gaf me ongelijk. Er moest iets zijn. Al hield hij niet van de regels en genoot hij van datgene wat God verboden had. Hij hield van de dronk en de gok. Waarop ik zei dat geloven ook een gok is. Of men nu spreekt over krshna, Jezus of de nieuwe Messias. Let wel, Boeddha sprak over meerdere realiteiten. En mocht er sprake zijn van reïncarnatie, een hemel of hel. Word ik dan onsterfelijk? Ik, Corné, de heiden, omdat mijn vertrouwen geschaad was en ik mijn eeuwige liefde al jaren geleden had verdronken in een bloedbad van hoop. Altijd maar hopen.
De jongen Macah stond op en liep aan, zonder iets te zeggen. En de idioterie was dat ik mensen die plotseling aanliepen ineens normaal begon te vinden. Deze egocentrische wereld die maar doorloopt en in tijd van nood stilstaat bij de schoonheid van een onbevlekte luisteraar.
Ik stond op om richting huis te bivakkeren. De honger drong zich aan mij op. Tevens zag ik nog regelmatig beelden vanuit de droom, waaruit ik eerder ontwaakte. Een vrouw, gekleed in slechts een dun gewaad, waaruit het zweet haar lichaam veraadde. Gevangen schreeuwde ze om hulp. Verder waren de feiten onduidelijk. Maar deze vrouw. Ik kende haar. Wie was zij?
Het zijn vaak van die irritante kleine dingen die zich bij me uiten in woede. Niet op een naam kunnen komen of een tergende melodie in mijn hoofd hebben. Was het te wijten aan vergeetachtigheid of non-interesse dat ik gewoonweg niet meer wist wie ze was? Ondertussen was ik beland op een brug. Ik keek over de rand naar benee. En voelde een vreemde stemming. Alsof het graf dat liefde heette beneden lag opgebaard. De immobiele mensheid. Vastgegroeid. Had ik nog maar wensen, maar ik denk dat zij zieliger waren.
Ieder kruipt voor de ander. Om nog eenmaal de aandacht te proeven. Alsof het de laatste avondmaaltijd zou zijn.
Ik liep door, richting mijn huis. Mijn eigen gevangenis van herinneringen en waar vele zondes een ziel kregen. Mijn wijlen vrouw Zita die daar haar vele geneugtes proefde. Weliswaar op een vreemde manier, maar wie naar wreedheid grijpt, zal ook door wreedheid sterven, zeggen ze.
Ik herinner me hoe ze in het begin liefde en macht wist te onderscheiden, totdat ze zelf werd meegesleurd en een slaaf werd van haar eigen slavernij. Ze hield van haar dienaressen en minnaars, maar betrok ze nooit in ons liefdesleven. Ik was de enige met wie ze ooit de liefde had bedreven. Althans dat vertelde ze mij, tot ik haar dood aantrof met de naam Kerwin op haar dij gekerfd.
En toch, hoezeer de tijd ook vervliegt, des te meer mijn verlangen. Het gemis. Nooit zal ik iemand zo lief hebben.
Op dit moment hield ik van mijn vage vrienden, waarvan ik nooit meer wilde weten als op dat moment dat ze bij me waren.
Ik keek op. En voor ik het wist stond ik voor mijn huis.
Mijn huis was echter de enige plaats waar ik me nog veilig voelde. Zonder paranoia om me heen te hoeven kijken.
Ik zat op dat moment in een sociaal coma. Al 27 maanden had ik niets gedaan als zuipen en vergeten. En iedere ochtend weer bekroop mij het gevoel van schaamte. Schuchter liep ik over straten, op weg naar mijn werk, met mondverfrissers op zak. Ik schaamde mij voor mijn zotte dronken loop, die ik de nacht daarvoor weer had getoond, de ex-vriendinnen die ik lastigviel met mijn telefoongewauwel, mijn eenzaamheid en mijn gejank. Tevens het vergeten van de avond. Het zuipen was mijn mythe geworden, net zoals het pluk de dag-principe een mythe is. Een mythe gebaad in een kostuum zonder oren. Daar de mensheid niet wilde luisteren en alleen maar de leuke dingen wou horen. Zij verbleven in onechte paradijzen en konden zich niet door het slijk van de aarde wroeten. Ik schaamde mij voor de mensen, wanneer ik nuchter was. Ik schaamde mij voor de wanna-be mensen en zij die dachten dat ze het leven uit boeken konden halen. Ik schaamde mij voor de mensen die liever met moord en doodslag dreigden als het lef hadden om te communiceren. Ik schaamde mij voor de mens met zijn valse beloftes, emoties van wantrouwen en misbruik makend van de andere mens. Nooit kon men zelf kruipen, zoals ik mij er niet kon aanzetten om mij in het volle leven te begeven en mijn ziel te verkopen aan hen, de prachtige cynische buitenwereld. Het enige waar ik voor moest leven was mijn werk als beleggingsadviseur, omdat het brood op de plank bracht. En zoals u nu mijn relaas leest beseft u ook wel dat ik een nachtrover was met als enige contact de groene flessen uit de koeling, maar des ochtend moest ik de nuchtere doerak uithangen. Politiek correct zijn, daar had ik al helemaal nooit van gehoord. Ik wilde trouwens nergens van weten. Ik wilde eigenlijk alleen maar Zita. Ik keek om me heen en stond op. Pakte een fles port en zette het aan mijn mond. Een straal liep langs mijn kin mijn blouse in. Wild veegde ik mijn mond af. Ik gooide de fles de kamer in, waarbij alles me aan Zita herinnerde. Ik rende en tierde op en neer, pakte een stuk hout en trotseerde de kamer tot de grootste afbraak die ik zelf ooit mocht veroorzaken.
Een aantal uren later zat ik met mijn handen in het haar om me heen te staren. Wat had ik toch gedaan? En waar was ik de laatste tijd toch mee bezig? Ik moest verder. Maar hoe? De enige die ik nog had was Sebastiaan en die was me de laatste tijd ook wel spuugzat. Op de meest vreemde tijden klopte ik bij hem aan en meestal niet eens nuchter. De laatste keer dat ik bij hem aanklopte werd ik door de politie afgeleverd. Stomdronken was ik. Ze hadden me opgeraapt. Toen Sebastiaan opendeed dacht hij dat ik hem kwam ophalen voor een feest. Ik waggelde de trap op, raapte een deken en ging slapen. Op dat moment trok hij zijn jas aan en dook de kroeg in. Voor mij geen feest meer, zei ik nog. Maar ja, wat was nog een feest? De enige feesten die ik had vielen tegen, doordat ik continu met een nostalgische blik terugkeek van hoe het kon zijn.
O, Zita. Mijn Zita. Mijn wulpse minnares. Mijn heks, meesteres en lerares. Hoe jij met woorden speelde. De vrouwen proefde. Jij die van spelletjes hield. Zita. Mijn Zita. Met je onschuldige blik. Champagne in je handen en met je andere hand streelde je je slanke taille. En je borsten. Je had mooi gevormde borsten, zo groot als mijn handen en zo zacht als het sappigste fruit. Met in het midden een medaillon hangend. Nooit had ik het verhaal ervan geweten. En het enige dat daarvan overbleef is de puinhoop die ik zojuist had veroorzaakt. O, Zita. Mijn Zita, vergeef me.
Ik trok mijn bruin lederen jack aan, verliet het pand en bedacht mij dat ik nooit meer terug zou keren.
Op dat moment wist ik even niet wat ik moest doen. Moest ik aankloppen bij Sebastiaan of bij Wietske? Zonder er ook maar over na te denken liep ik door. De hele gemaderlijke doenzel konden ze in de kwatsch laren, tenminste zo zouden zij het hebben verwoord, maar mijn dialect was nooit zo ferbischk geweest.
Ik keek om me heen en zag de grauwe lucht, de mist over het land, en verder was er niets te zien. Af en toe stapte ik in de drek, dat er later weer vanaf viel. Ondertussen dacht ik na over mijn onwetendheid en de kennis die ik bezat. Ik moest denken aan die verstrooide man die zo ontvreemdt was van zijn leven, zodat hij amper wist dat hij bestond, totdat hij op een goede ochtend wakker werd, ik bedoel hier dus mee dat hij letterlijk wakker werd, en zichzelf dood vond.
Ik staarde nogmaals over de velden en keek omhoog. En weer deed ik hetzelfde, alleen stond ik er deze keer bij stil. Ik keek omhoog naar het oneindige, het grote niets. En gleed langzaam met mijn ogen naar beneden, naar mijn eigen lichaam, het kleine iets. Ik voelde een verbintenis en hoe vaker ik dit ritueel herhaalde hoe meer ik besef kreeg van de oneindigheid van mijn gedachtes. Ik sloot mijn ogen en dacht aan die zin die vrind Etoine de Balsac mij ooit vertelde, toch bijna nooit uitsprak. `Alles is het omgekeerde.' Ik kon het ook niet uitspreken, want mocht ik dat oooit doen dan zou het niet waar zijn geweest en bleef alles hetzelfde.
De buitenwereld werd donker en van binnen was het licht. Mijn hoofd ontving een pijnlijke steek, even slaakte ik een kreet en weg was het moment. Ik opende mijn ogen en liep verder door het drassige landschap. Ik wist niet meer waar ik me bevond, maar het zag er onbewoond uit. Zelfs geen koren of maïs te bekennen. Alleen maar velden met wat dor gras. Heel af en toe hoorde ik wel een geluid, maar meestal wist ik niet wat het was.
Onderweg dacht ik vaak, met enige weemoed, terug aan alle voorbijgaande jaren en het leek erop dat de meeste bagage die ik meedroeg mijn plezierige kinderjaren moest zijn. De meeste herinneringen waren weggevaagd en ook al had ik er niet de plaatjes bij, de gevoelens kon ik niet ontkennen. De gevoelens van een lach, het gezang en de stiltes, waardoor ik het wel uit kon schreeuwen. Nog steeds kon ik niet tegen stilte. Zelfs deze lange weg begon mij te vervelen. Dan kreeg ik stemmen in mijn hoofd, hoorde zelfs het gezang weer terug. Mijn hoofd was één groot Tempo Doeloe geworden. Ik probeerde sneller te lopen, maar toch ook al leek het voor mijn gevoel zo te zijn, het mocht niet baten. Mijn benen waren vermoeid, soms moest ik stoppen om weer op adem te komen en ik vond de weg allang niet nuttig meer. Waar ging ik naar toe? Vertrokken zonder doel. Het leek zo'n mooie beslissing, toch nu voelde ik wat ik had achtergelaten. Ik was verwazigd en verward, nog net niet ijlende. Zelfs mijn maag sprak me tegen. Toch, ik zette door en uiteindelijk werd ik omgeven door enkele bomen. In het begin vond ik het fijn. Later kwam ik erachter dat ze mij het licht en de warmte ontnamen. Ondertussen was ik op zoek naar voedsel, maar het leek wel of hier helemaal niets groeide. Alleen deze bomen konden zich levend houden, nu ik nog. Langzaam werd het weer wat lichter en heel in de verte zag ik iets. Ik kon er nog niets herkenbaars uithalen, maar kwam dichter tot een bestemming, hoopte ik. Het werd rustiger in mijn hoofd en ik zei tot mezelf dat ik geen verwachtingen moest maken, omdat dat wel eens een teleurstelling kon worden. En dat kon ik, na deze lange tocht, helemaal niet gebruiken. De schim werd steeds beter zichtbaar en begon op een toren te lijken. En niet veel later liep ik het bord voorbij waarvan ik wist dat op de andere kant Noorden lijk stond. Ik was voorbij mijn eigen grenzen.
Met een stevige past zette ik door. Mijn laatste krachten. "Kom op," zei ik tot mezelf. Steeds weer. "Kom op. Doorzetten. Nog even. Kom op. We halen het. Kom op."
Aan de rand van de weg zag ik boerenwormkruid staan, dat ik vroeger van mijn moeder kreeg als ik last van mijn darmen had. Eventjes kreeg ik dat gelukzalige moment terug van hoe ze daarna over mijn buikje wreef en zong.
De toren bleek inderdaad een toren te zijn geweest, maar de muren die daar aanvast hadden gezeten waren niet meer. Ik liep er langs af en niet ver meer van me vandaan zag ik tekenen van een waarschijnlijke leefwereld, waar ik mezelf tot rusten kon leggen. "Eindelijk ben ik niemand," fluisterde ik vol ironie tot mezelf en slaakte een zucht, al was het een overwinning.
Vooraan in het dorp, waar ik me bevond, zag ik als eerste een overblijfsel van iets dat langer geleden een donjon moest zijn geweest, tenminste na wat ik er later van begreep. Op dit moment was het rustig. Toch was de zon al mooi aan de heldere hemel te zien, precies in het zuiden. Ik keek om me heen en liep richting een groot rotsgesteente waarop ik plaatsnam. Het leek wel of ik terug was in de tijd.
Ik wilde niet nadenken. Eerder mij leeg voelen. Mijn handen, mijn hoofd. Mijn hoofd rustend op mijn rechterhand gebald tot vuist. Even was ik niets onder de grote grauwe doch heldere lucht, waaronder een zonnestraal mijn linkerkant betastte.
Hier was geen Zita in mijn hoofd, vrienden die mij vertrouwen schenden, geloof of geweld. De drank had mijn lichaam in de vorm van zweet verlaten. Ik stonk en door viesheid ging ik mij altijd oud voelen, dus ik moest opzoek naar het water dat mijn dorst kon lessen en mijn lichaam kon zuiveren.
Zo liep ik heen mijn toekomst tegemoet. Langs geuren als schimmel, gesteente en een bepaald soort mos dat ik nog nooit was tegengekomen. Er moeten vele soorten mos zijn, bedacht ik mij. Ik bedacht mij wel vaker theorieën bij het zien van zoveel schoons, want als mos nu één van de oudste soort blijkt te zijn op deze aard en cos afkomstig is van cosinus wat dan weer bocht betekent dan kon dat misschien nog niets betekenen, maar ik vond het wel weer een geinig vondst, om de minuten door te brengen, terwijl mijn geklauter mij niet verder bracht dan de zilte geur die ik herkende als dat van wier of water. Water? Maar dat kon betekenen dat ik vlakbij een iets was waar ik naar zocht. Ik klom een steenmassa en waande mij even een kletteraar op handen en voeten, maar eenmaal erop wist ik dat het niet de top was die ik moest bereiken, maar de andere kant. Langzaam probeerde ik mijn voeten op het houvast te plaatsen en liet mij beetje bij beetje schuiven tot de volgende. Een mens kan vele roesmiddelen tot zich nemen, toch kan ik niet vertellen dat ik toen zeker wist wat ik aan het doen was. Mijn adem stokte, maar ik ging door. Misschien was het slechts drie meter klauteren, maar mijn handen gleden om de paar centimeters af en iedere centimeter voelde aan als een meter. De branding in mijn handen en mijn voeten voelde nattigheid. Nattigheid? Maar dat wilde zeggen dat ik er was. Ik keek naar beneden en stond met één voet op de bodem en het kostte niet veel tijd om te beseffen dat ik mijn lichaam voorzichtig los kon maken van dit ruwe gesteente en zo deed ik het.
Ik zette mij neer en maakte van mijn ineengevouwen handen een schaal om het vloeibare te mengen met de droogte in mij. Van een hurkhouding wilde ik mij neerzetten, maar door mijn geslurp bewogen mijn benen in een onmogelijke houding en viel zo op mijn achterste. Waarop ik mij ontdeed van sokken, broek, jas, shirt en ze spoelden en uitwrong met mijn handen. Deze handeling bleef ik volhouden en legde het daarna aan de kant om te drogen. Ik ontdeed mij van het laatste kledingstuk en reinigde mijn lichaam. Volle zon, vol ornaat, zeg maar.
Plots, hoorde ik iets. Een soort van geritsel, misschien de wind tegen de rotsen? Ik keek om mij heen, maar zag verder niets en goot nog wat water over mijn schouders en rug. Weer hoorde ik iets en draaide mij om. Eén hand voor mijn geslachtsdeel en de ander op schouder. Waarom die laatste handeling was dat weet ik nog steeds niet. Wederom was er niets te zien. Wat ook raar zou zijn, want ik was werkelijk in de veronderstelling dat hier niets te beleven zou zijn.
Een gegiechel, een jong hoog gegiechel of gejammer, het kon beide zijn, maar toch hoorde ik het weer. Ik trok mijn onderbroek aan en shirt en keek over rots. Vluchtig zag ik iets wegschieten. De struiken in. Snel kleedde ik mij volledig aan, klom over rotswand, liep versneld over het pad en dook de struiken in. Ik was gek geworden. Dat moest haas wel. De zon speelde spelletjes met mij. Niet alles wat men zo ziet hoeft werkelijk zo te zijn, dat is nog een bekende uitspraak van iemand, maar ook deze naam zou mij vergeven mogen worden. En weer hoorde ik gelach, maar nu niet als zijnde van één iemand, maar ik hoorde wel twee of drie vrouwelijke stemmen. Deze keer van bij de poel waar ik zojuist vandaan was gekomen. Ik probeerde van een zijdelingse weg er overheen te komen en hoorde gespat, ik kwam dichterbij het gelach. En terwijl ik daar over het gesteente, op mijn buik lag, keek ik toe naar een wonderbaarlijk schouwspel waarbij twee mooie jongedames elkaar aan het overgieten waren met het water. Over huid en haar, billen en borsten. Ze keken niet om, maar ze moeten geweten hebben dat ik daar lag. Zo intens genoten ze van hun tafereel. Soms ging het hoofd omlaag om de lange haren door het water te zwaaien en de spetters door het zonlicht te zwieren. Alle kanten uit en de borsten bewogen mee. De handen bewogen zachtjes over heupen en soms een aanraking van hand in hand. En glimlachjes en de glinstering in hun ogen.
Ineen kwam er een gegil, vanachter mij, ik wendde mijn hoofd en zag een meisje, tevens in haar naakte glorie, met handen voor haar mond en ze gilde nogmaals. Waarop ik ook bijna. De twee meiden in de poel beschermden elkaar. Ik stond twijfelend op met een gebaar dat ik niets wilde doen. Onschuldig, onschuldig, riep ik, ik kwam alleen maar om mezelf te wassen. Ze keken mij aan of ze mijn taal niet begrepen en ik wilde naar ze toelopen, maar hoe dichterbij ik kwam des te angstiger ze reageerden. Waar zijn jullie kleren, vroeg ik. Dit was zon moment waarop men niet de meeste intelligente zinsneden uitspreekt. Mijn spoor was bijster. Hier trek maar van mij aan, en bood ze mijn bruin lederen jack. Alsof ze daar met zijn tweeën iets aan hadden. De jongste was inmiddels weer verdwenen.
Eén hand reikte uit naar de jas en trok het hardhandig naar zich toe. Ze roken eraan. Beiden. Als dieren. Eerst ruiken en dan vertrouwen winnen, moeten ze gedacht hebben. Ik begon het te begrijpen. Langzaam kwamen ze tot mij, met het water klotsend rond hun enkels, tenminste ik dacht dat ze naar mij liepen, maar met de jassen zetten ze zich neer op het warme gesteente en onderzochten de mouwen, voering, zakken en kraag. Slechts één medaillon vonden ze en bezichtigden het.
Is een ketting, zei ik, k-e-t-t-i-n-g, herhaalde ik nog eens langzaam en ondervond hoe snel de zon hun huid droogde. Ze lachten en keken schichtig met hun kraaloogjes mijn kant op. Ze gniffelden en keken elkander weer aan met het medaillon tussen een hand slingerend. Even leek het alsof ze iets fluisterden, waarop de meest rechtse opstond en giechelend, maar verlegen en schrijnend mijn richting kwam gelopen en zo langs mij afging. Ik zag slechts rode billen en een groef van het gesteente daarin gedrukt van onder haar rug en lange, donkere haren en terwijl ik haar versuft nakeek, liep de tweede jongedame giechelend langs mij af. Ze keek even om en lachte alsof ik moest weten wat mij te doen stond. In vervoering volgde ik. Achter de struik bevond zich een zandpad die ik niet eerder had gezien. Mijn nauwelijkse oplettendheid had mij al eerder in de steek gelaten. De twee meiden liepen voorop, elkaar aanrakend, fluisterend en lachend. Het medaillon was nog in hun bezit. Ik had inmiddels ondervonden dat het ook de bedoeling was dat ik hen volgde. Rechts stond een struik, waarbij ik het derde meisje, besjes zag plukken. Ze keek even om en ging verder. Hier was ik dan in het land waar niets te beleven viel, althans naar wat ik dacht. Toch, ik was niet zenuwachtig of angstig, ook niet onzeker. Het was of ik geen keuze had en om eerlijk te zijn waren er ook weinig andere opties op dit moment.
Achter paden met loofbomen stond een oud, in elkaar gezette gele truck, die van ellende uit elkaar kon vallen. Eigenlijk vreemd dat dit het eerste was wat mij opviel, want naarmate ik dichterbij kwam zag ik een grote, zwarte eettafel en daarachter een grote boerderij en als ik zeg groot dan bedoel ik dus écht groot. Dit was niet iets waarin ik mij ooit eerder in had begeven.
De deur stond open. Een groene deur met van die kleine truttige raampjes, waar eigenlijk van die rood geblokte truttige gordijntjes zouden moeten hangen.
De meisjes waren al schrijnend naar binnengewandeld, zonder dat ik hier ook maar iets van gemerkt had. Wederom hoorde ik hen giechelen. Ik keek onwennig in de deuropening en begaf mij over een stoffig tapijt door de hal. Ik wist niet waar ik moest kijken. Op het eind zag ik nog net drie schaduwen van de meisjes de hoek omgaan. Overal was kunst aanwezig in de vorm van een exotisch beeld, schilderij of in ornamenten. Ineens klonk een zware stem vanachter mij, ik schrok en hield mijn kraag vast. Met een soort van blaf bulderde de mannelijke gestalte in zijn vuist en sprak tot mij: ik hoorde dat je al had kennis gemaakt met mijn prachtige juweeltjes Elin, Noa en Signe, en hield ze dicht aan zijn zijde, terwijl hij hun naam had genoemd zag ik één voor één hun hoofdjes aangetikt worden, terwijl ze lachten bij het horen van hun naam en een soort van knik of kleine buiging maakte. Dus links van de man stonden Signe en Noa en achter de brede rug zat Elin een beetje verlegen weggedoken, de besjeseetster. Dit moesten zijn prachtige dochters zijn en ik complimenteerde de noeste man met zijn pracht, tevens bekeek ik hem van kop tot teen. Dit was ook nodig, omdat ik niet iedere dag in een wereld terechtkwam met drie schone dames die jong en naakt voor mij stonden.
Kom binnen, zei de man, ben onze gast.
Ik voelde mij vereerd, maar nog steeds onwennig.
De man sprak zijn dochters aan en vroeg of ze zich wilde kleden, waarop ze de kamer verlieten. We praatten over waar ik vandaan kwam en hoelang de reis was geweest, dat ik niet wist waarnaar toe te gaan, maar dat ik verlangde naar rust.
Je kan hier een tijdje onderdak krijgen, bood de man vriendelijk aan, alsof ik in een sprookje van Grimm was beland en de man een soort van reus. Kon ik hem vertrouwen? Kon ik überhaupt ooit mensen vertrouwen? Waarom altijd die onrust in mij?
Mijn rechterknie begon te trillen, met mijn hand probeerde ik hem recht te houden. Ontspan, ontspan, zei ik tegen mezelf. Aan mooie dingen moest ik denken. Ik dacht aan zijn dochters, maar dan voelde ik mij een viezerik, terwijl ik geen smerige gedachtes bij hen had, maar een soort van schuldgevoel. Schaamte, omdat ik ze wel moest aankijken en hun lichaam bewonderen. IK dacht aan Zita, maar dat hielp al helemaal niet. Verlangen naar iets wat er niet meer is. Ik dacht aan Wietske. Mooie, schone Wietske. Zij werkte in De Herberg Der Blauwe Zwaluwen en was het mooiste wat mij was overkomen, na de dood van Zita, maar het werd nooit iets met ons, omdat zij een kerel had met geld. Zo verwoordde ze het zelf ook. Ze was niet vaak thuis en flirtte met mij door lieverd of schatje te zeggen. Soms kwam ze zelfs naar mij toe en vroeg of haar knoopje niet te ver openstond, waardoor ik zo tegen haar kleine, lieve schattige borstjes aankeek, weliswaar bedekt door een kanten beha. Ik hield van kleine strakke borstjes, altijd gedaan. Zij zijn het vrouwelijk vlees van moedervoeding, zonder dat er iets aan overdreven is, wanneer de man haar streelt en bevredigd. Wietske lachte altijd en zwierde met haar rok als ze langs mij kwam lopen. Soms ging ik expres aan de overkant zitten en dan zwaaide ze onschuldig of stak haar tong uit, alsof we kinderen waren. We vertelden onze dromen en deze kwamen overeen. Zij was het fruit waarvan ik wilde proeven, het vuur dat mij deed ontspannen en de aai waardoor een mens zijn gedachte kon terugtrekken en niet altijd wakker hoefde te zijn. Zij deed mij dromen en verlangen naar iets moois.
Ik ontspande steeds meer tegenover de man. Zeg maar Jan, sprak hij.
(tot dusver)